De Woningwet van 1901 hoort bij een reeks van wetten waarmee rond 1900 de levensomstandigheden van de gewone man en vrouw werden verbeterd. Met een totaalpakket aan maatregelen werd krotopruiming gestimuleerd en een eind gemaakt aan de nieuwbouw van slechte, ongezonde woningen. Zo moesten gemeenten een bouwverordening opstellen waarin kwaliteitseisen werden gesteld aan gebouwen. Ook moest de opzet van nieuwe stadswijken voortaan gepland worden in 'uitbreidingsplannen', zoals Berlages Plan Zuid. Het bekendste effect van de wet was natuurlijk de 'woningwetbouw' van goede, betaalbare huizen door organisaties zonder winstoogmerk. De overheid stelde leningen beschikbaar aan woningbouwverenigingen die voor de arbeiders bouwden. De Nederlandse volkshuisvesting behoort tot de beginjaren van de Woningwet en tot de beste van Europa.